07 april, 2007

Willem Godschalck van Focquenbroch

Een Hollandsche vuyst-slagh, op een Brabandsche koon.


Een Antwerpsche Mis-pop,
Een Swijn van den Bisschop
(Om Ravens te aesen,)
Derft hier komen raesen,
En gnurcken, en knorren,
En schelden, en morren,
En kijven, en kauten,
Met Rijmen vol fauten:
En maeckt sleghs wat veersen;
Voor Hollandtsche Neersen.
En leyt hier te singen
Van Geusen te dwingen,
Alsof meester Barendt,
Die Roovenden Arent,
Sijn grijpende pooten
In Steeden, en Slooten
Soo licht'lijck sou krijgen,
Als hy ons kan drijgen.
Neen Antwerpsche Trommel!
Al waer jy de Drommel,
En Barendt sijn Besje,
Soo sult ghy het Nesje
Van Hollandt niet stooren.
Schijt al uw Cibooren,
Daer Priesters, en Papen,
Meê speelen als Apen.
Men sal in uw Kelcken
De Swijnen noch melcken,
Wanneer ons uw landen,
Weer komen in handen.
Dan sal men u wijsen,
Wat Hemelsche spijsen
Dat Papen, en Fielen,
Soo Godloos vernielen;
Wijl sy die door 't backhuys
Sleghs senden na't kackhuys.
Als zijnd' een godtloosheyt,
Vol duyvelsche boosheyt,
Die sellefs een Heyen
Son moeten beschreyen,
En die dese blinden
Noch Christelick vinden.
Maer seght eens, ghy Uylen!
(Wiens jancken en huylen
Voor Beelden, en Poppen
Wiens suchten, en kloppen,
0p Wambais, en knoopen,
Wiens rennen, en loopen
Om Jacob sijn schelpen,
Al soo veel kan helpen,
Als of ghy de sticken
Eens vaet-doecks gingt licken)
Wat komt u doch over?
Dus langer hoe groover,
Op Hollandt te schelden?
Met vloecken, en rasen,
Ons hier te verbasen?
Ba neen doch; wy schijten
Eens in uw verwijten;
Want 't kan ons niet deeren,
Aen rock of aen kleeren.
Of ghy ons voor Ketters
Voor Beelden-verpletters
Voor Branders, voor Stoockers,
Voor Nickers , voor Roockers,
Voor Roovers , en Branders.
Komt schelden, of anders,
Ghy mooght sen die gecken
Der maersen eens lecken.
Gaet bruyt metje Trommel,
Vol Antwerps gerommel,
Indien ghy wilt kijven,
By Lepel-straets-wijven,
Waer dat ghy by Bayken,
By Jenne, of Mayken,
(Daer ghy by verkeert hebt)
Dat deuntje geleert hebt.
Het schijnt dat uw Keel is,
Als die van Broer Kneelis;
Die nimmer de Staten
Met vreede kon laten,
En altijt met schande
De Princen aenrande,
Die was in die tyen
Wel fix op't kastyen,
Op nonnen, en Queesels,
Dat lappen, en veesels,
Haer 't Aersgat afhingen:
Maer wilt ghy die dingen,
Van Barendtjes weegen,
Op ons hier doen plegen,
Soo maeck j'een collatie
(Behouwens uw gratie)
Wiens droevige botheyt
Wel toon, dat ghy sot zijt.
Want Fijn Man! al willen
De Nonnen haer billen
Dat quisplen, en streelen
Der Papen wel veelen,
Soo weet ghy wel beter,
Dat ons soo de veeter,
Door schelden, en drijgen,
Niet los is te krijgen:
Oock moocht ghy wel weeten,
Dat Hollandtsche scheeten
Uyt 't Aers-gat der Geusen,
Met Brabandtsche Neusen
Soo slecht accordeeren,
Dat ick wel derf sweeren,
Dat ghy haer uw klouwen,
Van 't gat wel sult houwen.
Des komt geen genade
Ons thans noch te stade;
Gelijck sy nae desen
Aen u wel sal wesen;
Wanneer men eer lange
U light sal sien hangen.
Wel houd dan goe teeck'ningh,
En schrijft vry die reeck'ningh
In't bladt van je balge,
En hanght 't aen de galge.
En laet in die boecken
De duyvel dan soecken

Wat quaets gh' in uw leven
Daer in hebt geschreven;
Soo sult gh' uw papieren,
Gedoemt sien ten viere,
En ghy aen den Koningh
Van Heyntje-mans wooningh
Langh roepen; Och armen!
Wild onser ontfarmen.

U Y T.

3 opmerkingen:

Jan Helwig zei

Graag een verwijzing naar de pagina waarvan dit is gekopieerd.

Anoniem zei

Zie hiernaast in de lijst met deelnemende dichters?

Erwin Troost zei

Een beetje lang, maar prachtig, ook om voor te dragen in mijn basisscholenproject.